Ethische Code

(2015)

BASISPRINCIPES

De analytische relatie is een bijzonder type menselijke relatie: ze moet een kader bieden waarbinnen de symbolische inhouden van de analysant bewust gemaakt kunnen worden, en waarbinnen deze inhouden beleefd, bevat en geanalyseerd kunnen worden (zonder dat ze uitgeageerd en op die manier concreet gemaakt worden).
Het analytisch werk kan een sterke regressieve tendens met zich meebrengen voor beide betrokkenen. Het is de taak van de analyticus om de grenzen van het kader waarbinnen het analytische proces plaats vindt goed te bewaken. Elke andere relatievorm dan de analytische doet dit kader geweld aan en kan uiteindelijk de analysant schaden.

Tijdens het analytisch werk zal de analyticus zichzelf niet voorstellen als de vertegenwoordiger van de realiteit, van het weten van de waarheid, of zichzelf als norm stellen voor het onderscheid tussen goed en kwaad, of voor wat ‘normaal’ is.
De hiernavolgende lijst van gedragsregels is niet uitputtend. Zij is bedoeld om een atmosfeer in stand te houden die bevorderlijk, en niet nadelig, is voor de analysant. Het belang van de analysant zal de voornaamste zorg zijn bij elke ethische vraagstelling.

1. DE RELATIE ANALYTICUS-ANALYSANT

1.1. Duidelijkheid en handhaving van het kader.
1.1 A. Het is de taak van de analyticus om samen met de analysant het kader en de werkvoorwaarden te verduidelijken, en de grenzen van deze ‘container’ stevig te handhaven. Dit kader en de werkvoorwaarden omvatten de frequentie, de tijd en de plaats van de sessies, zowel als de hoogte van het honorarium en de wijze van betaling. Elke verbreking van dit kader, opzettelijk of niet, vraagt om bespreking binnen de analyse.
1.1 B. Er moet van te voren overeenstemming zijn over elke verandering binnen het kader van de analyse. Elke verandering van het kader of de voorwaarden die verstorend zijn voor de analysant of tegen deze ethische code ingaan, behoren bespreekbaar te worden gemaakt door de analyticus in zijn of haar supervisie.

1.2. Het exclusieve karakter van de analytische relatie.
De analytische relatie sluit elke andere vorm van relatie uit tussen de analyticus en de analysant, of diens verwanten. De analyticus moet vermijden ten opzichte van de analysant enig andere functie uit te oefenen dan de analytische. Uiteraard kunnen er in speciale omstandigheden uitzonderingen zijn wanneer de analysant een kind is, of de analysant deelneemt aan een opleidingsprogramma waar de analyticus de functie van docent vervult.

1.3. Professionele ethiek.
De analyticus moet zijn professionele competentie handhaven en ontwikkelen. Hij of zij zal zich onthouden van elke vorm van ‘acting out’ (seksueel, gewelddadig, financieel enzovoort) en van elke vorm van machtsmisbruik.

1.4. Vertrouwelijk karakter.
De inhoud van de sessies is strikt vertrouwelijk. De supervisie vormt hierop geen uitzondering, daar de superviserend analyticus zelf aan deze regel onderworpen is. Het aanwenden van klinisch materiaal door en analyticus of supervisor voor didactische of wetenschappelijke doeleinden kan alleen met toestemming van de analysant gebeuren en daarbij moet de anonimiteit van de analysant worden gewaarborgd.

1.5 Mentaal en fysiek welzijn
De analyticus zal zijn beroep niet uitoefenen in tijden dat hij onder invloed is van drugs of alcohol of wanneer fysieke of psychische problemen een negatief effect kunnen hebben op de analyse.

2. DE OPLEIDINGS- EN SUPERVISIE RELATIE

De supervisor of leeranalyticus zullen geen misbruik maken van de autoriteit die uitgaat van hun rol in de relatie. Alhoewel er verschillen zijn tussen de analytische relatie en de relatie met supervisor of leeranalyticus, zal toch de analyticus zich bewust moeten blijven van de professionele aard van de relatie en geen misbruik maken van de inherente verschillen in de relatieve macht van docent t.o.v. student of van supervisor t.o.v. supervisant.

3. COLLEGIALE RELATIES

3.1. De leden zijn verantwoordelijk voor het in stand houden van de geëigende standaarden van vakbekwaamheid, eerlijkheid en integriteit binnen de vereniging, en tegenover andere beroepsbeoefenaren.
3.2. Leden behandelen hun collega’s met respect.
3.3. Wanneer een lid van de N.A.A.P. bezorgd is over onethisch gedrag van een (aspirant)lid of opleidingskandidaat, gaat hij/zij eerst een gesprek aan met de persoon in kwestie. Doel hiervan is om dit gedrag te bespreken en te proberen het probleem op te lossen, en zo nodig hem/haar te bewegen tot consultatie, supervisie, behandeling of analyse. Als de betreffende persoon hieraan niet meteen kan voldoen, en/of de vertrouwelijkheid in acht moet worden genomen, kan contact worden opgenomen met de Ethische Commissie. Wanneer een lid van de N.A.A.P. duidelijke bewijzen heeft van onbehoorlijk gedrag van een (aspirant)lid, dan is het zijn/haar verantwoordelijkheid om de Ethische Commissie hiervan in kennis te stellen, behalve wanneer de vertrouwelijkheid met betrekking tot een cliënt hierdoor geschonden zou worden.
3.3 A. Als een (aspirant)lid er in toegestemd heeft om actie te ondernemen om te voldoen aan het besluit van de Ethische Commissie en een ander (aspirant)lid heeft bewijs dat deze actie niet naar behoren is uitgevoerd, dan is het de verantwoordelijkheid van dit lid om de Ethische Commissie hierover te informeren. Bijvoorbeeld, wanneer een analyticus onethisch heeft gehandeld en de sanctie van de Ethische Commissie was om zich te verontschuldigen, dan heeft een lid dat bewijs heeft dat dit niet is gebeurd, de verantwoordelijk om de Ethische Commissie hiervan op de hoogte te stellen.
3.3 B. In de situatie waarbij het aangeven van een verdacht onethisch handelen de vertrouwelijkheid m.b.t. tot de analysant kan aantasten:
Als een (aspirant)lid hoort van een analysant over onethisch gedrag door een analyticus, dan mag het lid de suggestie doen aan de analysant om een lid van de Ethische Commissie te informeren over de schending. Het lid van de Ethische Commissie zal dan de analysant informeren over welke opties hij of zij heeft, dit kan inhouden dat de suggestie wordt gedaan om een officiële aanklacht in te dienen tegen de analyticus. Als de analysant besluit om de Ethische Commissie niet te informeren of een klacht in te dienen dan kan het lid dat op de hoogte is van het voorval dit doen, maar alleen als er toestemming is van de analysant.

4. RELATIE MET DE BUITENWERELD

In betrekkingen met de buitenwereld, zoals bij presentaties, publicaties, of contact met de media, zal een lid niets doen wat de vereniging, een analyticus of collega van het lid in diskrediet brengt. Hij/zij zal niets doen wat de vereniging zou kunnen schaden. Bij twijfel over deze zaken wordt de analyticus geadviseerd hierover vooraf contact op te nemen met de Ethische Commissie.